Ethiopië november 2016

Weg van het hooggebergte

Terug naar Gondar.

Na ons bezoek aan het Simiengebergte wenden we onze stevenen terug zuidwaarts. Onderweg houden we halt bij een nederzetting die vroeger bewoond werd door Felasha, Ethiopische Joden. Nu zijn die geëmigreerd naar Israël. Maar de Ethiopiërs uit de buurt hebben hun dorpen overgenomen en enkele van hun gewoontes. Ze maken nog dezelfde kunstvoorwerpen: zevenarmige kandelaars, afbeeldingen van Salomon en de koningin van Sheba en andere prullaria. Allemaal mooi gemaakt en niet duur. De kinderen uit de nederzetting zijn zeer opdringerig. We worden omsingeld door bedelaartjes en verkopertjes die allemaal hun deel van de buit willen. We moeten ons terugtrekken naar een opvangcentrum voor vrouwen om te ontsnappen aan de meute. Dit opvangcentrum levert puik werk. Het helpt vrouwen die letsels opliepen door te bevallen op te jonge leeftijd, of door besnijdenis. Ze kunnen hier verblijven tot ze een beroep hebben geleerd en weer op eigen benen kunnen staan. De instelling is zelfbedruipend en leeft van de verkoop van zelfgebakken aardewerk en ter plaatse geweven textiel.

In Gondar gaan we op zoek naar een Engelstalige gids voor Ethiopië. Twee dagen eerder ontmoetten we Mensur, een jong student toerisme. Hij beschikt over weinig of geen boeken en we beloofden uit te kijken naar goede documentatie. In de stad zijn geen boekhandels, dus trekken we naar het Goha-hotel waar een winkeltje is voor toeristen. Helaas hebben ze alleen een oude uitgave van de Bratt-gids, die dan ook nog verschrikkelijk duur is. Om Mensur te helpen, zullen we hem onze gids nalaten. Terwijl we hier nu in het chique Goha-hotel zijn, genieten we vanop het terras van het uitzicht over de stad met zijn kasteel en de kerken.

Er is nog een monument in de stad dat we zeker moeten bezoeken, namelijk het paleis van keizerin Mentewab uit 1730. Ze liet het gebouw optrekken na de dood van haar man. Zij stond er op ver van hof te gaan wonen om ongestoord haar leven te leiden. Zij hield er namelijk nogal wat loverboys op na. Ook James Bruce, de ontdekker van de bronnen van de Blauwe Nijl, 'logeerde' bij haar tijdens zijn verblijf in Ethiopië. De ruïnes van het kasteel hebben hun elegantie behouden. De gevel is versierd met beeldjes en kruisen in rode tufsteen, wat het geheel zeer aantrekkelijk maakt.

Om de dag te besluiten trekken we naar de lokale markt. Het is er heel druk en stofferig. Mensen en dieren krioelen door elkaar. Een vrachtwagen volgestouwd met kleurrijke plastic bidons probeert zich een weg te banen tussen de kraampjes, niet zonder een en ander te molesteren. De meeste handelaars hier zijn moslims, want de markt ligt in hun wijk. Ethiopië kent een belangrijke minderheid mohammedanen.

Na een korte rust keren we terug naar de stad. Onze gids waarschuwt ons uit de menigte weg te blijven, er hangt elektriciteit in de lucht en er zijn veel gewapende militairen aanwezig. Het stadsbusje zit overvol, passagiers, een kerel met een kalasjnikov, maar ook zeven kippen en een mand vol eieren. Slechts één ei sneuvelt tijdens de rit.

Mensur staat ons op te wachten. Hij is heel blij met ons cadeautje en nodigt ons bij hem thuis uit. Hij woont met zijn moeder, een broer en een zusje in een oud Italiaans huis. Het is gebouwd tijdens de Italiaanse bezetting net voor de tweede wereldoorlog. Het gezin behoort tot de gelukkigen die in een stenen huis wonen, de meeste Ethiopiërs wonen in krotten of lemen huizen. Zij hebben meer comfort, maar toch: er zijn geen kasten, alle kleren liggen door elkaar op de grond; de keuken is een hok met een houtvuurtje; ooit was er een badkamer, er is echter al jaren geen stromend water meer. Maar ze beseffen dat ze het zoveel beter hebben dan de meeste van hun landgenoten.

We gaan die avond terug naar de For Sisters, waar we kennis maken met een Zwitsers paartje dat na een paar jaar werken op wereldreis is. Hun job en hun huurwoning hebben ze opgezegd, hun auto en inboedel verkocht en nu trekken ze rond.

Als we klaar zijn nemen we een tuktuk naar het hotel. Van enige onrust hebben we vanavond gelukkig niets gemerkt.

Op weg naar Lalibela

We rijden nu oostwaarts richting Lalibela, de stad van de rotskerken. Dit deel van Ethiopië is duidelijk arm, veel kinderen lopen blootsvoets en met gescheurde kleren. Het terrein is bergachtig, woest en onvruchtbaar. We rijden over de zogenaamde Chinese weg, genoemd naar de bouwers. De weg is kronkelig en er gebeuren nogal wat ongelukken. We zien dode ezels en runderen, verongelukte containers langs de weg en een gekantelde vrachtwagen met zakken tef. Een colonne overheidsvoertuigen racet ons aan veel te hoge snelheid tegemoet. Het respect van de elite voor de andere weggebruikers is totaal afwezig.

We drinken thee in een restaurant annex hotel. Op weg naar het toilet over de binnenkoer heb je zicht op de kamers. Hier is alles basic. Een kamer is een betonnen hok met een bed en een stoel. Je wassen doe je in een gezamenlijke wasplaats, voorzover er water is. Het toilet ruik je uren in het rond. Maar voor de prijs moet je het niet laten, minder dan 3 euro per nacht voor een kamer.

Over de laatste 60 km doen we bijna 3 uur. De weg is in aanbouw, weer door een Chinese maatschappij, geen ontwikkelingshulp, maar te betalen in harde valuta. De arbeiders zijn Ethiopiërs, de voormannen Chinezen. Alle vrachtwagens en machines komen uit China.

Het landschap is weer overweldigend en we stijgen tot 2 600 meter. Net voor een mooie zonsondergang en na nog eens een lekke band, komen we aan in Lalibela, de werelderfgoedstad. De stad geeft een armoedige indruk met zijn zandwegen en de afwezigheid van stenen gebouwen. We nemen onze intrek in het hotel en blijven eten in het restaurant. Kip met groenten, een mager scharminkel met friet als groente...

Morgen bezoeken we de rotskerken van Lalibela. We hebben er tien voor de kiezen. Tijd om te slapen.

Reacties

{{ reactie.poster_name }}

Reageer

Laat een reactie achter!

De volgende fout is opgetreden
  • {{ error }}
{{ reactieForm.errorMessage }}
Je reactie is opgeslagen!